In 2017 heb ik met mijn uitgever afgesproken dat ik een boek over de Rijn zal schrijven. Een verhaal dat ongeveer 40 miljoen jaar geleden begon. Toen er nog geen Alpen waren. 
 

Natuurlijk is er een laatste dag geweest dat er nog niks gebeurd was. Dat het zuiden van Europa dicht bebost was en het land onder een dicht bladerdak heuvelend afliep naar de kust van een kalme zee zonder naam. Er was geen taal, er was niemand die namen gaf. Dat kwam tientallen miljoenen jaren later pas, toen nakomelingen van de eekhoorn-achtige bomenklimmer Plesiadapis, die zich aan het begin van dit verhaal ook in de Europese bossen ophield, tot geologen waren geëvolueerd. Zij ontdekten dat de schijnbaar onwrikbare continenten eigenlijk drijvende schotsen zijn die onmerkbaar traag, langzamer nog dan nagels groeien, ronddobberen op diepe kolken van vuur. 

De verdwenen zee die Europa in het zuiden begrensde, noemden ze terugkijkend de Valais Oceaan. Het was een banaanvormige zee, die in het westen via een zeestraat in verbinding stond met de jonge Atlantische Oceaan. Het enige dat in die zeestraat ronddobberde was Spanje.

Naar het oosten klom de bodem van de Valais op naar een helder en ondiep paradijs van verspreide koraaleilanden. Ten oosten daarvan lag de Tethys oceaan die zich als een trechter verwijdde naar de Panthalassa, een melancholieke, verlaten en oneindige oceaan die alle uit elkaar drijvende continenten omspoelde.

Bij rustig weer was de zee kraakhelder en warm en de grote scholen visjes, vlak aan het strand, wuifden onbekommerd heen en weer met het komen en gaan van de golven. Er was zee zover het oog reikte, al kan het zijn dat zich op heel heldere dagen boven de horizon wolken verzamelden, alsof daar ergens opgewarmd land lag, dat aan het eind van een hete dag de zeewind zover omhoog joeg dat ze condenseerde tot donderwolken. Tijdens de stikdonkere nachten weerlichtte het dan, maar zo ver weg dat de donder uitbleef.

Het was het midden van het eoceen, meer dan veertig miljoen jaar geleden en aan de zomer kwam geen eind. Waar nu Stuttgart ligt ruisten boomtoppen en branding, waar nu Zwitserland ligt, was enkel zee. 

Je kan volhouden dat dat de eerste voortekenen waren: de wolken op de horizon die als bliksemende herauten de komst van iets groters aankondigden. Maar waarschijnlijker is het dat op een dag een diep en langgerekt gekreun opsteeg uit de ondergrond. Dat de aarde trilde, de bomen van het bos ruisten en zwiepten en dat de vloedlijn zich opeens terugtrok van het land. Vogels streken neer op de moddervlakte, waar verraste vissen met flappende staarten in de modder lagen te happen. Het was maar een kort feestmaal, want op de horizon keerde de zee vermenigvuldigd terug, verhief zich boven de snel oplopende bodem en stortte zich op het land. Ze veegde bomen omver, duwde het water in de rivieren terug, kwakte scholen vis neer op de bosgrond, vloeide uit en trok zich pas dagen later weer terug. De vloedgolf had een ravage aangericht, en het bos had jaren nodig om te herstellen. 

Maar dat was geen probleem, want jaren waren er in overvloed. 

En de overlevenden die vanwege de herinnering de vloedlijn een tijdje meden, kregen jongen die daar weer minder zwaar aan tilden. En voor je het wist was alles weer als daarvoor. Tot de volgende aardbeving.

Er was iets gaande op zee, of misschien beter: er was iets gaande onder de zee. Maar voor een achteloze kustbewoner was dat niet merkbaar. Voor een vogel is een eilandje voor de kust een plek om op neer te strijken, voor een boom om op wortel te schieten. Dat dat eilandje er een paar duizend jaar geleden nog niet was, en dat het in duizend jaar een paar hectare in omvang toegenomen is, dat zijn veranderingen die zich zo langzaam voltrekken dat ze op het leven van een enkele sterveling geen invloed hebben. Dat de beesten van het eoceen in gewelddadige tijden leefden ging, als aardbevingen uitbleven, volstrekt aan ze voorbij. 

Want de aarde heeft een oneindig tragere hartslag dan de kostgangers die haar bewonen.